De nieuwe naam van GroenLinks-PvdA is Progressief Nederland. Redacteur Hidde vindt wat van deze naam en schreef hier een open brief over aan partijleider Jesse Klaver.
Hidde van de Weg
Beste Jesse,
We hebben elkaar ooit vluchtig ontmoet bij een bijeenkomst van De Linker Wang. Daarom neem ik de vrijheid je te tutoyeren, alsof we elkaar al langer kennen. Hoewel jij thans partijleider bent en ik fractiemedewerker van een niet nader te noemen gemeenteraadsfractie, zijn we als partijgenoten in wezen gelijk aan elkaar. Het lijkt me dan ook niet nodig om overdreven formeel te doen.
Ik wil het graag met je hebben over de nieuwe naam van onze partij: Progressief Nederland, ook wel in de markt gezet als PRO. Of eigenlijk wil ik vooral mijn ongenoegen met de naam kenbaar maken, aangezien ik mij (en met mij velen anderen) niet thuis voel bij het etiket ‘progressief.’
Nu beschouw ik mezelf allerminst als een progressieveling, maar als socialist welke op democratische wijze (dus via de parlementaire route) een socialistische maatschappij wil grondvesten. In die zin ben ik een sociaal-democraat. Dat onderscheid is wezenlijk voor me. Progressief is in de loop der tijd een breed en inhoudsarm verzamelbegrip geworden, waaronder zeer uiteenlopende, zelfs tegengestelde politieke opvattingen geschaard kunnen worden. Ik ken bijvoorbeeld tal van mensen die zich op sociaal-economisch vlak ‘rechts’ noemen, maar zich op sociaal-cultureel gebied progressief noemen.
Progressiviteit veronderstelt bovendien vooruitgang als doel op zichzelf, los van de vraag wie daarvan profiteert en welke maatschappelijke structuren daardoor worden versterkt of juist afgebroken. Progressief is daarmee een weinig ideologisch geladen begrip. En wellicht dat dit uit electoraal gewin ook de bedoeling is: het toe-eigenen van een begrip dat iedereen kan dragen, maar nergens werkelijk voor staat. Doch wat dan overblijft is een lege huls, een kaalgeplukte kip die nog wel vrij rondloopt, maar geen enkele ideologische richting meer aangeeft. Progressiviteit is immers altijd procedureel, het verwijst naar de beweging vooruit maar normeert de beweging niet. Het begrip draagt geen morele horizon, geen gedeelde visie op het goede leven, geen inhoudelijke bestemming, geen wenkend perspectief op een rechtvaardiger samenleving.
In de kern is progressiviteit bovendien een liberaal ideaal dat geworteld is in het moderne vooruitgangsgeloof. Dat vooruitgangsgeloof gaat uit van een geschiedenis die zich lineair ontwikkelt, van een mens die zichzelf steeds verder emancipeert waarbij de vooruitgang niet zozeer gemeten wordt aan een inhoudelijk normatief doel zoals rechtvaardigheid, solidariteit of sociale gelijkheid – kenmerk van het liberalisme is haar morele neutraliteit – maar in de mate waarin de individuele autonomie wordt vergroot. Neem het voorbeeld van de vrouwenemancipatie. Vanuit een liberaal perspectief draait de emancipatie van de vrouw primair op het vergroten van de individuele keuzevrijheid, waarbij de mate van vooruitgang niet wordt gemeten aan een normatief kader maar aan de mate waarin het individu meer opties krijgt binnen de bestaande maatschappelijke orde. De beweging zelf geldt als verbetering, zonder dat wordt bevraagd welke economische of sociale structuren ongelijkheid veroorzaken of wie feitelijk profiteert van de vermeende vermeerdering van vrijheid.
Vergelijk dit met een sociaal-democratische visie op emancipatie, waarin emancipatie niet louter wordt voorgesteld als meer opties voor het individu maar om de herverdeling van macht en middelen, zodat de economische structuren die ongelijkheid veroorzaken doorbroken kunnen worden. In deze visie wordt vooruitgang niet gemeten aan de hoeveelheid levensopties die iemand heeft, maar aan de mate waarin ongelijkheid wordt verminderd, solidariteit wordt versterkt en mensen daadwerkelijk in staat worden gesteld hun leven vrij en waardig vorm te geven. Emancipatie is daarmee een ideologisch streven, geen procedure. Zij veronderstelt immers een gedeelde morele horizon: een samenleving waarin vrijheid niet louter een individuele mogelijkheid is, maar een collectieve realiteit die door rechtvaardige structuren wordt gedragen. Vanuit een sociaaldemocratisch perspectief is, met andere woorden, de vrouwenemancipatie niet goed omdat het een vooruitgang vertegenwoordigt, maar omdat zij voorwaardelijk is voor een rechtvaardiger maatschappelijke ordening.
De vraag die zich dan aandient is eenvoudig maar fundamenteel: willen we liberalen zijn – of socialisten?
Ik begrijp dat mijn brief een hoog filosofisch gehalte bevat. Maar dat is onvermijdelijk wanneer we het hebben over begrippen als progressiviteit, liberalisme en sociaaldemocratie. Want alleen wanneer we de begrippen helder krijgen, kunnen we ook begrijpen welke politieke en morele horizonten ze openen – en welke ze afsluiten. Zo sluit progressiviteit bijvoorbeeld op voorhand conservatisme uit, alsof de politieke werkelijkheid zich laat vangen in een binaire tegenstelling. Maar zo denken de meeste mensen helemaal niet. Zij bewegen zich niet langs abstracte ideologische assen, maar langs concrete zorgen: goed onderwijs, betaalbare woningen, toegankelijke zorg. Het zijn immers de materiële en sociale voorwaarden die voor de meeste mensen bepalen of een samenleving rechtvaardig is, niet of een maatregel conservatief dan wel progressief is.
Daarbij komt dat conservatisme niet zozeer past in de klassieke links-rechts indeling, maar betrekking heeft op het beschermen van waarden. Conservatief betekent hier dan ook: bewaken wat mensen draagt, aan wat zin en betekenis geeft aan het bestaan, wat, kortom, richting geeft aan een gemeenschap – en dat willen behouden. En in die zin ben ik een conservatief, omdat ik de waarden van de sociaaldemocratie wil beschermen: bestaanszekerheid, solidariteit en gelijkwaardigheid.
Het is juist deze combinatie van waardenbehoud en sociale rechtvaardigheid waar de kracht ligt van de sociaal-democratie, aangezien zij beschermt wat mensen draagt: de verzorgingsstaat, publieke voorzieningen en de gemeenschap in het algemeen –, en strijd tegen wat mensen belemmert: ongelijkheid, machtsconcentratie en armoede. Op die manier is de sociaaldemocratie zowel behoudend als vernieuwend, aangezien ze de structuren die vrijheid mogelijk maken bewaart en de structuren die de menselijke vrijheid ondermijnen hervormt. De kunst echter voor onze nieuwe partij is daarom om tot een progressief-conservatieve synthese te komen, om werkelijk een volkspartij, een partij voor iedereen, te worden.
Rest ons tot slot nog de vraag waarom in tegenstelling tot PRO, GroenLinks en Partij van de Arbeid wél overtuigende politieke namen zijn. De kern daarvan is dat deze namen expliciet verwijzen naar een moreel ideaal of een ideologische traditie die politieke vorm krijgt. Progressiviteit is tenslotte geen inhoudelijk standpunt, maar een procedureel kader: zij duidt de beweging aan, maar geen richting; vooruitgang, maar geen bestemming. Als politieke identiteit schiet dat tekort. En ik weet ook best dat wijlen Joop den Uyl sprak over progressieven, maar hij deed dat vanuit een ideologische worteling in de sociaaldemocratie, vanuit een duidelijk normatief kader, een moreel ideaal.
Nu is een moreel ideaal volgens de Canadese filosoof Charles Taylor een onmisbare voorwaarde voor menselijk samenleven, omdat het verwijst naar een gedeeld beeld van wat wij als gemeenschap hoger of waardiger achten, en zo een oriëntatiepunt biedt voor ons handelen. Op politiek niveau maakt een moreel ideaal als ‘poolster’ drie dingen mogelijk: (1) het duidt maatschappelijke problemen vanuit een herkenbare normatieve invalshoek; (2) het rechtvaardigt keuzes die niet louter technocratisch of procedureel zijn, maar waardengedreven; (3) en vooral: het mobiliseert mensen rond een gedeelde visie op wat een rechtvaardige samenleving zou moeten zijn.
Zonder zo’n normatieve bedding blijft politiek steken in losse beleidsvoorkeuren die dan wel progressief dan wel conservatief zijn, die beweging of behoud suggereren maar geen bestemming aangeven. Een naam als GroenLinks verwijst nog naar de ecologische en sociale traditie, terwijl de Partij van de Arbeid verwijst naar het idee dat waardigheid, bestaanszekerheid en maatschappelijke deelname door arbeid worden geboden. In beide gevallen betreft het een moreel geladen partijnaam waarin een visie op mens en samenleving besloten ligt, en die daarmee het fundament legt voor de politieke identiteit van de partij.