Laten we afspreken dat een asielzoeker niet voor niets alles achter laat
Amir Ali Ahmadi
Het woord ‘asiel’ was een van de eerste woorden die ik in het Nederlands heb geleerd. Het betekent: bescherming door de staat voor iemand die in zijn eigen land wordt vervolgd. Ik was een 18-jarige Iraanse jongen toen ik in Nederland asiel had aangevraagd. Nu ben ik ongeveer 10 jaar verder en ik kan mezelf nog steeds 100 procent in deze omschrijving vinden, ondanks dat ik inmiddels Nederlander ben geworden. Asiel is een deel van mijn identiteit dat me nooit loslaat.
Als ik eerlijk ben, een van de moeilijkste taken die ik ooit heb gedaan, was het krijgen van asiel in Nederland. Ik vond het enorm ingewikkeld en lastig om aan IND te laten zien dat ik en mijn familie christen zijn en dat we daarom zijn gevlucht. Ik ben nu een master student Structural Engineering aan de TU Delft. Ik doe een van lastigste technische studies, maar ik vind het veel makkelijker dan asiel krijgen in Nederland.
Nederland is een fantastisch land, in veel opzichten. We hebben veel kennis op het gebied van Civil Engineering, we zijn daarin zelfs een van de beste in de wereld. We hebben een democratisch en seculiere staat waar iedereen zijn/haar mening mag hebben en uiten. Je kan zondag opstaan en zonder enkele zorgen naar de kerk gaan en mag ook overal vertellen dat je in de kerk bent geweest. We zijn een van de leading landen op het gebied van duurzaamheid, innovatie en sociaal welzijn; een zeer ondernemend land. We hebben een hele luxe definitie van armoede in vergelijking met veel landen.
Maar Nederland heeft ook een aantal nadelen. We zijn niet dankbaar voor wat we al hebben en we zijn bijna altijd aan het klagen. Een ander nadeel is dat we het te vaak over volle AZC’s, overlastgevers, ‘gelukszoekers’ hebben als het over asiel gaat. We hebben het bijna altijd over het woningtekort, dat volgens een relatief groot deel van de samenleving door vluchtelingen (voormalige asielzoekers) komt.
Ik vraag me altijd af waarom we het bijna nooit over de andere kant van het asiel hebben. Over al die mensen die hun best hebben gedaan om de taal zo goed mogelijk te leren, die dag en nacht hebben gestudeerd, hoogopgeleid zijn en die de komende jaren volwaardige ingenieurs, artsen, advocaten, verpleegkundigen, sociaal hulpverleners en ondernemers worden. Die significante bijdragen leveren aan het land.
Die groep van asielzoekers, waar ik ook deel van uitmaak, gelooft heilig in het volgende: We zitten allemaal in een schip en dat schip heet Nederland. We moeten alles op alles zetten zodat dit schip met volle kracht naar voren vaart en niet naar achteren. We moeten er met zijn allen voor zorgen dat dit schip tot een van de beste schepen in de wereld behoort. In het nieuws hebben we het nooit over deze kant van asiel en dat leidt ertoe dat sommige mensen zelfs een asielopvang in brand steken om te laten zien dat ze tegen asielbeleid zijn.
Het is belangrijk om met elkaar af te spreken dat een asielzoeker niet voor niets alles achterlaat en om hulp, bescherming en vrede vraagt in een ander land. Laten we nog een keer naar de definitie van het woord ‘asiel’ kijken. Een asielzoeker leeft in een wereld van onzekerheid, angst en hopeloosheid. Het is al zwaar genoeg om een asielzoeker te zijn. Laten we het niet nog zwaarder maken. Laten we met een efficiënt en
structureel asielsysteem weer aan de wereld laten zien dat Nederland nog steeds tot een van de meest gastvrije en barmhartige landen behoort.
God zegene Nederland en alle Nederlanders
Amir Ali Ahmadi is student Structural Engineering aan de TU Delft. Op 18-jarige leeftijd vluchtte hij met zijn gezin uit Iran omdat hij daar als christen daar niet veilig was.