Carl Dijkstra
Op een snikhete dag zit ik in een trein die een prachtig stukje Betuwe doorkruist (Den Bosch – Utrecht). Ik krijg daar echter weinig van mee. Ogen gesloten, koptelefoon op, muziek aan. Ik schrik op van de conductrice: ‘U sluit zich helemaal af van de buitenwereld met die noise cancelling van uw koptelefoon. Dat is toch niet fijn?’ De vraag is voor wie dat niet fijn zou zijn, maar ik had me zeker hermetisch afgesloten voor alles en iedereen. De muziek maakt me toondoof voor de buitenwereld.
Gesprekken in de trein voelen voor mij al snel invasief: altijd bang dat mensen zich aan me opdringen. De vaardigheid om in de trein met onbekenden te converseren lijken we verloren te hebben, weggedoken in onze telefoon. Veel van mijn studenten hebben inmiddels een heuse belangst ontwikkeld: bang om een telefoongesprek te voeren. Het zijn kleine dingen die symbool staan voor iets groters: het verlies van sociaal kapitaal. Op een zeker moment zijn we dingen alleen gaan doen die we voorheen samen deden. Uit de Verenigde Staten kennen we sinds Robert Putnam het tragische beeld van de eenzame bowler (1995). Bowling Alone werd de nieuwe standaard voor wat eens in clubverband gedaan werd. Loop eens langs een sportschool en je ziet velen als een atoom wezenloos in een leeg universum calorieën verbranden, hangend boven of onder een apparaat. Bij gebrek aan vrijwilligers is het naburige buurthuis inmiddels overgenomen door leegstandsbeheer.
Ik wil niets bewijzen, maar de samenleving is tot maatschappij verworden. Het liberalisme bevrijdde in de 19e eeuw de mens uit zijn onmondigheid, maar is in de 21e eeuw gaan woekeren als doorgeslagen individualisme. Wat haaks op het eigenbelang staat (het algemeen belang), is inmiddels een obstakel voor de eigen behoeftebevrediging. Populistische politici jagen dit schaamteloze egocentrisme bij de kiezer verder aan, de overheid behandelt de burger inmiddels als klant en het aantal burenruzies neemt explosief toe omdat men niet bereid is rekening te houden met de behoeften van anderen. I couldn’t care less. We lijken soms de natuurtoestand van Hobbes dicht te benaderen: onze verhoudingen zijn gebaseerd op wantrouwen en calculatie nu we de samenleving strippen van haar weefsel. Wat rest is een maatschappij: een wereld van markt en strijd, waar alles een ruil wordt met winnaars en verliezers. ‘Kansen pakken’ noemen ze dat bij de VVD en allen zijn we regisseur van ons eigen geluk. Ja, vast. Zo somberen de trein en ik nog een eindje door.
Voor ik deze Uitsmijter een mooie treinreis laat ontsporen in een treurzang, duikt gelukkig in de verte de mooie kerktoren van Zaltbommel op. Het gedicht van Nijhoff ‘De moeder de vrouw’ (1934) schiet me te binnen. Dat begint als volgt:
‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren.’
De brug bij Zaltbommel verbindt wat ooit gescheiden was. Twee overzijden die elkaar meden, werden weer buren. Misschien is dat de oefening die ons te doen staat, niet de naaste schuwen als hindernis op de eigen weg, maar als de oever die om verbinding vraagt. Bruggen bouwen we namelijk niet voor onszelf, anders heet het een slotgracht. Met sociaal kapitaal is het niet anders: je investeert niet voor eigen gewin, maar voor wie na je komt. Van maatschappij terug naar samenleving. Met die gedachte stap ik (koptelefoon af) in Utrecht uit de trein. Aan de lezer van De Linker Wang de schone taak om verder te bouwen aan de brug en de redactie het beste te wensen. Tot ziens, ergens op een ander perron.
Carl Dijkstra (1985) was redacteur van De Linker Wang. Hij is fiscalist en filosoof en in het dagelijks leven werkzaam als docent belastingrecht aan de Haagse Hogeschool. Per heden zwaait hij af als redactielid.