Zijn we nog collectief genoeg voor verandering?

In een tijdperk waarin efficiëntie en gemak centraal staan, lijkt frictie steeds meer uit ons dagelijks leven te verdwijnen. Technologie, economie en cultuur sturen ons richting individualisering en snelheid. Maar wat verliezen we wanneer alles soepeler verloopt? In dit artikel onderzoekt redacteur Étienne hoe het verdwijnen van frictie onze sociale cohesie, ons denken en ons vermogen tot collectieve politieke verandering beïnvloedt.

Étienne Henry

Onder het neoliberalisme is de samenleving georganiseerd rond het individu. Dit is te zien aan de technologie die geproduceerd wordt, het soort politiek dat bedreven wordt, en de media en cultuur die geproduceerd worden. De verindividualisering is een logisch gevolg van kapitalistische groei. De economie groeit wanneer sociale interacties door financiële transacties vervangen worden. Daarnaast groeit zij ook door bestaande financiële transacties verder te versnellen en de frictie ervan weg te nemen. De economie groeit op het moment dat een gezinstelefoon door drie of vier mobieltjes vervangen wordt, of als een sociale interactie zoals passen op iemands hond of kat, of iemand in een bar ontmoeten, vervangen wordt door een app of website.

Wat hier met frictie wordt bedoeld, is het menselijke element in een proces dat het proces vertraagt, frustreert of bemoeilijkt, maar dat iets achterlaat buiten het proces om. Wat het achterlaat, kan vaak belangrijker zijn dan het resultaat van het proces.

Naast deze voorbeelden zijn er nog meer: iDEAL, mobiele telefoons, contactloos betalen, flexibele arbeidscontracten, WhatsApp, Uber, Swapfiets, Thuisbezorgd en Zoom hebben allemaal met elkaar gemeen dat ze frictie wegnemen. Als twee onderdelen elkaar aanstuwen en dit niet 100% efficiënt gebeurt, komt er warmte vrij. In de samenleving is deze “warmte” collectiviteit, en in het onderwijs is dit het leren.

Het wegnemen van frictie vermindert niet alleen onze sociale cohesie en ons gevoel van collectiviteit, doordat we elkaar minder nodig hebben, maar het verandert ons ook. Het zorgt ervoor dat we niet aan frictie wennen. Doordat we niet aan frictie wennen, hebben we uiteindelijk ook minder interacties die ons socialiseren. Als we niet socialiseren, kunnen we onszelf als niets anders dan een individu zien. Communicatie via het internet is grotendeels frictieloos: je kunt binnen seconden anoniem een bericht versturen en er zijn vaak weinig directe sociale repercussies. Dit beïnvloedt ons: hoe meer mensen online “socialiseren”, hoe slechter ze offline met verschillen en frictie kunnen omgaan.

Het niet om kunnen gaan met frictie zien we ook terug in sociale angsten en minder ontwikkelde sociale vaardigheden. Zo hebben veel mensen moeite met grapjes of opmerkingen over hun identiteit, en zijn mensen ook steeds banger om bijvoorbeeld langs de deuren te gaan voor een politieke campagne. Het niet kunnen omgaan met frictie zien we ook bij de manosphere; dit is een online gemeenschap van vooral eenzame jonge mannen. Deze jonge mannen geven de schuld van hun eenzaamheid niet aan hun karakter of gebrek aan moeite, maar aan hun uiterlijk of aan vrouwen. Hun uiterlijk of vrouwen de schuld geven is een manier om de frictie die samengaat met sociale interacties of zelfacceptatie te ontwijken.

Onderwijs

In het onderwijs zien we een vloedgolf aan hulpmiddelen die het opzoeken van informatie veel makkelijker maken. Naast het feit dat leerlingen (en leraren) mogelijk weinig leren van het maken van werkstukken met AI, leren ze ook niet omgaan met de frustratie die samengaat met dingen maken en doen. Leren en denken heeft iets onprettigs in zich. Als ik vraag: wat is 18 × 329, krijgen veel mensen de neiging om: 1. Niet zelf te rekenen en verder te lezen, 2. Een rekenmachine te pakken, 3. Een ander excuus te bedenken om dit niet uit te rekenen. 

Dit is nog een redelijk makkelijk voorbeeld, in de zin dat het een definitief antwoord heeft en hoofdrekenen iets is wat de meeste mensen al eerder gedaan hebben.

Het uitbesteden van denken, in het Engels “cognitive offloading”, kom je voortdurend tegen in het onderwijs, maar ook in de samenleving, bijvoorbeeld in het vertrouwen op een sterke leider die alle antwoorden al heeft. Een goed voorbeeld hiervan zien we bij de PVV, waar Kamerleden, als hun iets gevraagd wordt, zelden een denkproces laten zien en vaak direct naar Geert Wilders verwijzen.

Dit klinkt misschien als iets dat buiten het kopen en verkopen weinig effect heeft, maar we verwachten tegenwoordig dat steeds meer aspecten van ons leven zo frictieloos mogelijk zijn. Daardoor kunnen we steeds slechter met ongemak omgaan.

Politiek

Als processen frictielozer worden, betekent dat niet dat alles makkelijker wordt. In zekere zin leven we in een tijd waarin je je politiek makkelijker dan ooit zou moeten kunnen organiseren. Je kunt binnen minuten een socialmediakanaal aanmaken en met AI filmpjes, tekst en geluid maken om erop te zetten. Maar de volgende stap, mensen bij elkaar krijgen om voor langere tijd iets te organiseren, is een stuk lastiger. Dit zien we onder andere bij Extinction Rebellion, waar meedoen relatief frictieloos is.

Om politieke verandering te creëren hebben we sociale cohesie, kritisch denken en socialiteit nodig, en al die drie dingen staan door de frictieloze veranderingen onder druk. De Koreaanse filosoof Byung-Chul Han schrijft in zijn essay In the Swarm onder andere over hoe mensen bij digitaal activisme zich niet als een groep, maar als een zwerm gedragen.

De groep was de organisatievorm van de moderniteit: een organisatie met een gezamenlijk doel en een ziel die niet tot individuen te reduceren was. Als individu ging je op in de groep, en die groep verankerde zich. Vakbonden waren uiteindelijk zo sterk dat ze hun omgeving konden beïnvloeden en een socialere realiteit konden scheppen.

Vaak hadden groepen een structuur waarin frictie een rol speelde; bij veel vakbonden was het niet optioneel om wel of niet mee te doen of te staken. Vanuit die vastberadenheid kwam ook de politieke macht van groepen. De zwerm daarentegen is de organisatievorm van de postmoderniteit. Een zwerm komt op en verdwijnt weer; vaak zit er ook een element van vrijblijvendheid in. Je kunt je aansluiten en weer afhaken wanneer je wilt; je hoeft het niet overal mee eens te zijn, als je maar een keertje komt.

Voor een groep is een toevallige ontmoeting niet genoeg; er is een gemeenschappelijke gedachte nodig. Individuen die los van elkaar samenkomen vormen niet per se een groep. Zonder overkoepelende structuren en doelen spreekt een zwerm niet met één stem, maar maakt slechts geluid. Dat is helaas ook vaak het eindresultaat: er wordt wat media-aandacht gegenereerd, wat verder tot weinig leidt.

What’s in it for me? 

Vincent Bevins beschrijft in zijn boek If We Burn hoe protestbewegingen van de afgelopen twintig jaar een bekend patroon volgen: sociale onvrede, organisatie via losse of niet-traditionele structuren of direct via sociale media, massale protesten die soms tot regimeverandering leiden (en soms ook niet), en vervolgens een terugkeer naar de status quo.

Een belangrijke reden hiervoor is dat er zonder cohesie en socialiteit geen gemeenschappelijk project ontstaat: geen strijd van mensen tegen macht, of arbeiders tegen kapitaal, maar individuen tegenover andere individuen. Ook in Nederland zien we een golfbeweging: mensen gaan de straat op voor Gaza, wonen of klimaat, er verandert weinig (behalve dat er misschien aandacht wordt gegenereerd), en mensen gaan weer door met hun dag.

Als we de wereld echt willen veranderen, moeten we begrijpen wat de huidige cultuur en technologie met onze capaciteiten en cohesie hebben gedaan, en ongemakkelijke vragen stellen zoals: hoeveel van mijn voorkeuren en persoonlijkheid is het gevolg van het gebrek aan frictie binnen de kapitalistische samenleving? En is het activisme dat ik doe iets individueels, of iets dat echt naar politieke macht toewerkt?

Share the Post:

Join Our Newsletter

Scroll naar boven